Datum: 23-03-2021

Er is werk aan de winkel. Hoe stappen we over op wind en zon? Waar komen die miljoen nieuwe woningen? 'Dat Nederland in de komende jaren op de schop gaat, is duidelijk. Durven we nu ook te kiezen zodat we in de hand hebben hoe het land verandert?'

Door Eric Burgers

In 2019 werd glashelder dat ruimtelijke functies niet eindeloos kunnen worden gecombineerd en geïntegreerd. De streep die de Raad van State door het Programma Aanpak Stikstof zette, stagnerend grondverzet als gevolg van PFAS-normering, de wenselijkheid dan wel haalbaarheid van windmolens op land, stedelijke verdichting en aardgasvrije wijken: allemaal werden het onderwerpen van gesprek. Er verschenen diverse integrerende toekomstperspectieven, waaronder het ontwerp van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en documenten van de WUR en de denktank Denkwerk. Ook klonk in opinies en beschouwingen herhaaldelijk een roep om regie op ruimtelijke ordening door, in maart 2020 culminerend in een verzoek van de Tweede Kamer om weer een minister van VROM in het leven te roepen.

Andere gemoedstoestand
‘Het debat gaat over de actualiteit of over het vergezicht’, zegt Dijkgraaf en hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas, ‘maar de nabije toekomst, daar blijft iedereen van weg. Wat ga je in de komende tien tot twintig jaar doen? Een zeer relevante vraag want zo lang duurt het om systemische inrichtingskeuzen te verwezenlijken.’ In de Rijksvisie op ruimtelijke ordening, de Nota Ruimte uit 2004, kwamen termen als energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie niet voor. ‘We bevinden ons inmiddels in een totaal andere gemoedstoestand. Nederland is verre van af, we moeten aan de bak. Maar doordat we in een gedecentraliseerd stelsel zitten, kijkt iedereen naar elkaar: wat is de volgende stap?’ Bij het verlangen naar een minister van ruimtelijke ordening zet hij een vraagteken. ‘Er kan niet meer worden volstaan met centrale programmering van woningbouw en verkeersinfrastructuur. Je moet namelijk gelijktijdig aan de slag met een energienetwerk en een waternetwerk en met biodiversiteit die onder druk staat. Of met bodemdaling. Of met het terugwinnen van grondstoffen. Of met allemaal. Dat lukt echt niet met één nationale nota.’

(tekst gaat verder onder foto)

Co Verdaas op de Faculteit Bouwkunde – door: Marc Blommaert

Fundamentele keuzes
Dan blijft de vraag welke ruimtelijke functies voorrang moeten krijgen en wie de volgorde bepaalt. Verdaas is van mening dat meer fundamentele keuzes alleen op een hoger schaalniveau dan die van gemeente en provincie kunnen worden gemaakt. ‘Om één sector als voorbeeld te nemen: het debat lijkt nu verengd tot de vraag hoeveel ruimte de agrarische sector krijgt. Met het oog op de planning van een duurzame inrichting van Nederland lijkt me een betere vraag onder welke condities je in dit land een agrarische sector kunt hebben?’ Blijft Nederland dé agrarische innovator van de wereld of transformeert agrarisch gebied naar een geweldig vestigingsklimaat met veel natuur en aantrekkelijke landschappen? ‘Beide zijn legitieme verdienmodellen.’

Centrale regie
Het Rijk hoeft niet te gaan vertellen hoe een gebied eruit moet zien, benadrukt Verdaas, maar er is wel behoefte aan centrale regie en coördinatie. De in de NOVI benoemde prioriteiten en randvoorwaarden vormen een welkome richtingaanwijzer. ‘Breng vervolgens in beeld welke opgaven er in een regio zijn, welk ruimtebeslag ermee gepaard gaat, wat wel en wat niet te combineren valt en welke investeringen ermee gemoeid zijn. Als er in een regio binnen een bepaalde termijn geen knopen worden doorgehakt kan het Rijk zeggen: we nemen het over.’ Hoe dan ook zal de agenda altijd mede de gevoelde urgentie volgen. ‘Krijgen we nog eens drie zeer droge zomers dan maken we andere keuzen dan wanneer er voldoende water in het systeem zit.’ Instrumenten zoals omgevingsagenda’s en regionale investeringsagenda’s kunnen partijen helpen om regionaal te prioriteren en investeringen aan programmering te koppelen. ‘Tegelijkertijd moeten we waken voor een veelheid van beleidskaders, instrumenten en overlegstructuren. Het kan niet de bedoeling zijn dat zelfs professionals door de bomen het bos niet meer zien.’

Bron: NOVI – West 8

Ontspannen
Dat verduurzaming volgens het politieke midden de juiste richting is, lijdt volgens Verdaas geen twijfel. ‘De discussie gaat over intensiteit, tempo en kosten, niet over het belang van duurzame ontwikkeling. Kijk, een deel van de opgaven betreft relatief nieuwe materie. Ik vind het al goed nieuws als een gemeente over een projectleider Energietransitie of een projectleider Klimaatadaptatie beschikt.’ Je kunt niet verwachten, verduidelijkt hij, dat iedereen gelijk weet hoe hernieuwbare energiebronnen het best worden benut of wat een stedelijk microklimaat precies inhoudt, en daarnaar handelt. ‘Veel kennis moet haar weg nog vinden naar de werkvloer. Het is belangrijk om enigszins ontspannen met dat gegeven om te gaan.’

Eerlijker boodschap
Hoe dan ook is er op dit moment nog veel onzeker. ‘Zo’n Regionale Energiestrategie (RES) van onderop is uiteindelijk een optelsom van maatregelen die waarschijnlijk net niet genoeg effect hebben. Een deel van de opgave wordt wellicht afgewenteld op gemeenten met ruimte voor windmolens en zonnepanelen.’ Bovendien zal blijken dat er forse investeringen in de netwerken nodig zijn. ‘Bestuurders kunnen niet zeggen: ‘U gaat er niks van merken’ of ‘Het wordt wel ingepast’. Nee, u gaat er zeker iets van merken. Maar waar en hoe precies, dat weet nu niemand. Dat is een eerlijker boodschap, een die bovendien ruimte laat voor dialoog.’ Is het erg dat niet scherp is wat er gaat gebeuren? ‘Nee, want we beschikken over voldoende kennis, kunde en geld om die duurzame ontwikkeling goed vorm te geven.’ En lastige keuzen, betoogt Verdaas, gaan nu eenmaal gepaard met spanningen. ‘Ik zou het raar vinden als niemand tegen windmolens protesteert. Een deel van de agrarische sector zal zich vernieuwen en een deel heeft geen toekomstperspectief. Een aannemer die met vooruitziende blik zijn machinepark heeft geëlektrificeerd en dus kan aantonen dat hij niks uitstoot, is nu spekkoper. Dat is geen verwijt aan het adres van mensen die gewoon hun werk doen, het is de realiteit van de huidige dynamiek.’

Energielandschappen
Nederland kan gelukkig bogen op een traditie waarin stedenbouwkundigen, (landschaps)architecten en andere ontwerpers nieuwe ruimtelijke oplossingen van de nodige kwaliteit voorzien. Fundamentele ruimtelijke keuzen zijn ook hard nodig om de toekomst goed vorm te kunnen geven, betoogt Verdaas. ‘Mooie dingen maken is gewoon een vak, ook in de ruimtelijke ordening. Ontwerpers kunnen zorgen voor ruimtelijke kwaliteit. Ze vertalen nieuwe opgaven in nieuwe concepten zoals ‘energielandschappen’ of ‘klimaatbestendige landschappen’’. Ontwerpend onderzoek, zegt hij, is bovendien een uitstekend middel om vrij van referenties naar het bestaande een beeld te vormen van het mogelijke. ‘Wonen in een natte omgeving waarin windmolens, zonnepanelen en biovergisters zijn geïntegreerd, hoe zit dat eruit?’ Een beeld van een heel nieuw leefmilieu waarin opgaven samenkomen kan inspireren en mensen helpen om zorgen over de toekomst weg te nemen. Anderzijds dwingt ontwerp tot realisme: kan het? ‘Door een mogelijke ontwikkeling uit te tekenen wordt duidelijk welke ruimtelijke voorwaarden eraan zijn verbonden. Die kun je vervolgens vertalen naar investeringen. Door dit soort backcasting kom je tot solide motieven voor een bepaalde keuze.’

Vechten tegen windmolens
Over ruimtelijke kwaliteit gesproken, wat vindt Verdaas van de rappe toename van grote distributiecentra? ‘Tja, het klinkt soms alsof die dozen ons overkomen, maar da’s kul. Tien jaar geleden was al duidelijk dat goederenconsumptie via internet een hoge vlucht zou nemen. We hadden toen beter moeten anticiperen op de ruimtelijke gevolgen.’ De dozen zijn het resultaat van een optelsom van individuele keuzen. ‘Bestellen we veel minder via internet, dan hebben we minder distributiecentra nodig en lopen winkelstraten niet leeg. Het is ook een feit dat we minder wegen, sporen en vliegvelden nodig hebben als we minder reizen. Ofwel, de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland weerspiegelt veranderende maatschappelijke behoeften, betoogt Verdaas. Uitsluitend het bestaande willen beschermen is daarom geen optie. ‘Als een inwoner van de aan de tekentafel bedachte Noordoostpolder aangeeft dat aan zijn leefomgeving niet mag worden getornd, is dat ironisch.’ Dus waar staan we nu? ‘Ja, roept u maar. Vechten we tegen windmolens of creëren we er nieuwe landschappen mee?’

 

In het programma WAT ALS? WAT NU? publiceert AORTA een aantal artikelen over de opgaven voor de stadsregio van morgen. Experts en ontwikkelaars beschouwen de kansen en uitdagingen voor thema’s als groen, mobiliteit en wonen.

 

Ook interessant: