publicatie


Datum: 10-07-2019

Dat de stad groeit staat vast. Over hoe dat gebeurt werd op 3 juli gediscussieerd in Kanaal30. Daarbij kwamen architectuur, stedenbouw én het belang van de geur van vers brood aan de orde.

Door Martine Bakker

Als het aan rijksadviseur Daan Zandbelt ligt dansen steden voortaan de boogie woogie. Waar hij mee wil zeggen dat er meer moet worden gemengd als er dichter op elkaar wordt gebouwd. Zandbelt is een van de drie sprekers tijdens ‘Stadswijk van de toekomst’. De andere twee presentaties kwamen van planoloog Hans Karssenberg (Stipo) en architect Michiel van Loon (MEI Architecten). De bijeenkomst werd door Architectuurcentrum Aorta georganiseerd en afgesloten met een reactie van de Utrechtse wethouder Kees Diepeveen (Groenlinks).

Niet geheel toevallig vond ‘Stadswijk van de toekomst’ plaats in Kanaal30, een nieuwe broedplaats aan het Utrechtse Merwedekanaal. Eromheen verrijst de komende decennia een grote, nieuwe wijk die dichtbebouwd zal zijn, maar als de ambities worden waargemaakt ook autovrij, groen, klimaatbestendig en energievriendelijk. De nieuwe wijk is bedoeld om te wonen en werken en de woningtypen zijn gemengd.

Vanwege deze plannen en de ligging is de Merwedekanaalzone een van de vijf gebieden die model stonden voor de Metro Mix. Dit is een advies met zestig ‘guiding principles’ voor het ontwikkelen van hoogstedelijke, gemengde gebieden, in opdracht van het uitvoeringsprogramma REOS opgesteld door het College van Rijksadviseurs.

Daan Zandbelt

In the mix
Daan Zandbelt legt in zijn presentatie van de Metro Mix uit dat rechtlijnige, eentonige stedenbouw heeft afgedaan wanneer je bouwt op plekken in de bestaande stad. En bouwen in de bestaande stad – ‘verdichten’ – heeft de voorkeur boven bouwen in het buitengebied. Zo wordt het contrast tussen de stad en het landelijk gebied mooi versterkt. Maar gezien de huidige bouwopgave van een miljoen woningen zal het allebei gebeuren. In de stad moet daarbij volgens Zandbelt de sfeer van Victory Boogie Woogie worden gezocht. Piet Mondriaan gaf in dit schilderij het levendige ritme weer van de New Yorkse wijk Hell’s Kitchen.

Als het aan Zandbelt ligt worden de miljoen woningen zo snel mogelijk gebouwd. Want druk op de woningmarkt bemoeilijkt het verwezenlijken van idealen – als we zoveel mogelijk geld verdienen voor het gemak even niet als ideaal zien. Vooral het afdwingen van diversiteit wordt lastig door de druk op de woningmarkt. Diversiteit vraagt namelijk om een gezamenlijke aanpak bij de invulling van elk stuk bouwgrond. Een echte oplossing is hier niet voor. Om de onderste laag van de bouwblokken (oftewel de plint) levendig te houden en te zorgen dat ook kleine, lokale bedrijfjes er terecht kunnen, stelt Zandbelt een ‘plintmanager’ voor.

Diversiteit is belangrijk omdat nieuwe ideeën ontstaan waar ideeën worden gedeeld. In die zin is diversiteit dus goed voor de economische ontwikkeling van een stad. Ook niet onbelangrijk – Zandbelt brengt het meermaals naar voren – is dat de aangrenzende wijken er met de bouw van nieuwe wijken op vooruit gaan. Bijvoorbeeld doordat de werkgelegenheid toeneemt, het openbaar vervoer beter geregeld zal zijn en er meer mensen naar het winkelcentrum komen, waardoor de kleine zaakjes hun hoofd boven water kunnen houden.

Les Galerie des Machines, Ile de Nantes, referentie voor ‘benut het bestaande’ uit het REOS advies Metro Mix

Rust, ruis en reuring
Uit de discussie – geleid door Elisabeth van den Hoogen – blijkt dat de bewoners van de naastgelegen wijk Rivierenwijk hier nog niet van zijn overtuigd. Er zijn vooral zorgen over het autovrije karakter van de nieuwe Merwedekanaalzone en de twee geplande bruggen. Komt daardoor niet iedereen in hun wijk parkeren en wordt het niet veel te druk met fietsers en voetgangers? “Wij moeten ons aanpassen ter meerdere eer en glorie van de nieuwe wijk, dat is niet fair!”, ageert één van hen.

Iemand anders informeert naar de inkomensgroep waarvoor dit type nieuwe wijken bestemd is. Zandbelt had het tussen de regels door namelijk over mensen met twintig hobby’s die vaak uit eten gaan. Waar komen die mensen vandaan? Daan Zandbelt beaamt dat er deels wordt gebouwd voor de hogere inkomensgroepen, die ten dele bestaan uit “een internationale stroom”. Die moeten we volgens hem vasthouden, omdat we de economische impuls goed kunnen gebruiken. Maar in het algemeen blijken Nederlanders gewoon gemiddeld drie keer te verhuizen, waar de Metro Mix op voorsorteert met woonruimte voor studenten, alleenstaanden en gezinnen.

Een andere vraag uit het publiek betreft het transport, zoals de pakketbezorger of de bevoorrading van winkels. Zandbelt vindt het een goed idee om waar mogelijk het water hiervoor te benutten. Hij verduidelijkt dat de Metro Mix niet zomaar alles door elkaar gooit, maar uitgaat van een raamwerk met drie deelgebieden: rust, ruis en reuring. Er rijdt dus nog wel verkeer en de functies worden afgestemd op het raamwerk. Met het oog op de ‘meeliftende’ aangrenzende wijken is het belangrijk dat het raamwerk goed aantakt op de stad er omheen.

Hans Karssenberg, Stipo

Jane Jacobs
De volgende spreker, Hans Karssenberg, gaat gezien de vragen heel toepasselijk in op de betekenis van verdichting voor de mensen in de stad. Hoe houd je het gezellig en mooi verdeeld? Karssenberg is auteur van het boek ‘De stad op ooghoogte’ (Uitgeverij Blauwdruk) en net als Zandbelt fan van de Amerikaanse activiste en journaliste Jane Jacobs. Die maakte zich in het New York van de jaren zestig hard voor het behoud van de levendigheid en diversiteit op straat – oftewel voor de spreekwoordelijke boogie woogie.

Karssenberg vertaalt Jacobs gedachtegoed als de noodzaak om niet alles vast te willen leggen. Dat is te rigide en maakt een stad onleefbaar. Hij laat plaatjes zien van megalomane gebouwen en vliegende auto’s, om duidelijk te maken dat de stad van de toekomst er wat hem betreft heel anders uitziet. Het begrip leefbaarheid gaat hem niet ver genoeg, liever heeft hij het over liefdevol, “want je vraagt toch ook niet of een appel eetbaar is?’. In een liefdevolle stad wil je bijvoorbeeld je verjaardag op straat vieren, zo fijn is het er.

Wat dit betreft kunnen we volgens Karssenberg veel leren van historische binnensteden – “de stad van de toekomst gaat niet over foefjes en nieuwe dingen”. Een hoge dichtheid resulteert volgens hem niet per se in hoogbouw. Het Westerdok in Amsterdam is bijvoorbeeld één van de meest dichtbebouwde wijken van de stad en toch is het er zeer leefbaar en liefdevol. Karssenberg kan het weten want hij heeft er zelf gewoond. De bewoners van de woonboten die hier al lagen, werden van meet af aan meegenomen in het plan en de kinderen kunnen er fijn spelen op autovrije binnenhoven.

Twijnstraat, Utrecht

Openbare ruimte organiseren
Karssenberg maakt duidelijk dat er al veel onderzoek is gedaan naar hoe mensen een stad ervaren. In straten met ongenaakbare gebouwen blijken mensen letterlijk sneller te gaan lopen. In een fijne omgeving draaien ze vaker met hun hoofd. Ook de noodzaak om je stem te verheffen, vanwege bijvoorbeeld verkeersherrie, maakt een straat onaangenaam. Met dergelijke kennis kunnen planners hun voordeel doen – veel van het Stipo-onderzoek staat online.

Samenvattend komt Karssenberg uit bij ‘de vier i’s’. Om je thuis te voelen moet een stad een beetje incompleet en informeel zijn, niet al te aangeharkt. Je moet het gevoel hebben dat je er iets van jezelf aan toe kunt voegen, zoals een geveltuintje. Wat dit betreft helpt het om in wijken als Kanaleneiland en Overvecht de bergingen op de begane grond te vervangen door woonruimte. Daarnaast is een stad waar je je thuis voelt ook intiem en inclusief, dus voor iedereen.

Een intiem plein heeft het formaat van ongeveer 45 bij 45 meter, weet Karssenberg. Op die afstand kun je gelaatsuitdrukkingen namelijk nog onderscheiden. Kan dat niet, dan voelt het anoniem. Openbare ruimte is geen plat vlak, wil hij maar zeggen. Het is alles wat je beleeft. Een gemeente moet zich dus niet alleen bezighouden met stoeptegels, maar vooral ook met de organisatie van de openbare ruimte. Bij de ontwikkeling van nieuwe wijken doe je dat volgens Karssenberg idealiter in een zo vroeg mogelijk stadium, “waarna je bij elk volgend stadium eigen stappen neemt opdat het menselijk wordt.”

De Verkenner, Utrecht, Mei architecten

Sociale dynamiek
Aansluitend op Karssenbergs presentatie laat architect Michiel van Loon nog meer voorbeelden zien van – in zijn ogen – liefdevolle bouwblokken en buurten. MEI Architecten vindt de gemeenschap van bestaande en nieuwe bewoners belangrijk. Hoewel dit meestal niet is opgenomen in de standaardprocedure voor het maken van een ontwerp, probeert MEI die gemeenschap gedurende dat proces toch te betrekken. Zo kan het ontwerp worden aangepast aan haar wensen. Van Loon stelt dan ook dat ‘community building’ een ontwerpprincipe zou moeten zijn.

Daarnaast let MEI goed op de maten van de nieuwe bouwblokken, oftewel op de ‘korrel’. Die korrel moet precies groot genoeg zijn om elkaar tegen te komen en te leren kennen, zodat er hechte buurten kunnen ontstaan. Van Loon geeft aan dat ook de architectuur daarbij een rol speelt. Mensen ontlenen identiteit aan uitgesproken architectuur of opvallende gevels. Vanwege dit laatste maakte MEI een flatgebouw waarbij de bergingen zijn gevat in bruine bakjes aan de gevel. Zij komen uit op de galerijen, waar daardoor een andere sociale dynamiek ontstond dan bij een galerijflat gebruikelijk. In Kanaleneiland zijn in een flat van corporatie Mitros de regels van een gedicht verwerkt in opvallende tegels.

Als voorbeeld van een stadswijk van de toekomst laat Van Loon het ontwerp zien voor het Kabeldistrict in Delft. Dit bedrijventerrein zal veranderen in een dichtbebouwd woon- en werkgebied. Als eerste stap sprak MEI met de huidige gebruikers en de bewoners van de aangrenzende wijk. In de plannen blijven de loodsen van de kabelfabriek deels behouden en worden zij gemengd met nieuwe hoog- en laagbouw. De oevers van de Schie worden groener, waarmee het plan overeenkomsten vertoont met de Merwedekanaalzone.

Kabeldistrict, Delft, Mei architecten

Levensloopbestendig
Vanuit het publiek komt de vraag of het organiseren van bewoners een paar jaar geleden, tijdens de crisis in de bouw, makkelijker was dan nu. Michiel van Loon beaamt dat met de huidige vraag de koper toch wel koopt. “Je moet ze niet vergeten!” Bij de plannen voor het Kabeldistrict gaat dat goed en worden de ondernemers betrokken. Voor de Merwedekanaalzone organiseert de gemeente stadsgesprekken. In Nieuwegein is een corporatie opgericht om 400 mensen te kunnen betrekken.

Hans Karssenberg: “Dit is nodig om iedereen een stem te geven.” Net als Van Loon ervaart Karssenberg dat ‘ruimtemakers’ – bewoners die meedenken over de inrichting van de stad en met alternatieve ideeën komen – vaak niet in het systeem passen. In Utrecht is dit sinds kort geregeld met een investeringspot. Het eerste initiatief dat er geld uit krijgt is het Hof van Cartesius in het Werkspoorkwartier.

In het publiek is niet iedereen overtuigt dat je in dezelfde wijk wílt wonen en werken, zoals de Metro Mix voorstaat. Daan Zandbelt denkt dat het een kwestie is van verleiden – “wat niet lukt als je het fijn vindt om dagelijks een uurtje in de file te staan en die mensen zijn er ook”. Van Loon geeft aan dat in het Kabeldistrict faciliteiten komen voor beginnende bedrijfjes – “je kunt er voor een goede prijs wonen en werken” – en rekening wordt gehouden met de levensloop van bedrijven, die binnen de wijk kunnen doorgroeien naar een groter onderkomen.

Het water programmeren
Een heel andere vraag gaat over de watersport, houdt de ontwikkeling van de Merwedekanaalzone daar rekening mee? De vragensteller doelt op de roeisport, maar Daan Zandbelt gaat enthousiast in op de mogelijkheden voor schaatsers. Als je de energievraag namelijk oplost door warmte uit het water te halen zal het sneller bevriezen. Hij vult aan dat het in het algemeen belangrijk is om het water te programmeren: “geef het functies”. Hans Karssenberg benadrukt dat mensen in het algemeen graag bij het water zijn en het dan ook aan willen raken. “Maak dus plekken waar dat kan! Klimaattechnisch is veel water ook goed, het voorkomt hittestress.”

Samen brood bakken
Michiel van Loon liet in zijn presentatie een foto zien van de bewonersgroep van de Felixlofts op Katendrecht. Die groep weerspiegelde niet bepaald een doorsnee van Rotterdam. Toch heeft Katendrecht volgens Van Loon baat bij de komst van meer kapitaalkrachtige bewoners. “Bestaande bewoners waren eerst niet trots op hun wijk en nu wel. Bovendien is de hele de wijk aangepakt. Woningen zijn gerenoveerd, zwaar vrachtverkeer verdween, er kwam een nieuwe brug en de oude en nieuwe zaakjes aan het Deliplein lopen nu goed.” Een bewoonster uit Rivierenwijk denkt dat dit in haar wijk niet op zal gaan. De bestaande ‘communities’ zullen volgens haar juist uit elkaar vallen door de nieuwbouw in de Merwedekanaalzone.

Een andere zorg die wordt geuit in het publiek betreft de stijgende woningprijzen. “Je ziet mensen verhuizen uit steden als Amsterdam en Parijs omdat ze de huisvesting niet kunnen betalen.” Daan Zandbelt deelt die zorg en vindt dat de rijksoverheid verkeerde prioriteiten stelt. Zo is er wel geld voor nieuwe snelwegen en het spoor, terwijl de sociale huurwoningen deels moeten worden gefinancierd met de opbrengst van de vrije huurwoningen. Volgens Hans Karssenberg geldt dezelfde zorg voor de kleine productie-, distributie- of reparatiebedrijven. “Als je het niet goed regelt verdwijnt dit type bedrijf uit de stad.”

Ook de betrokkenheid van alle lagen van de samenleving is een punt van zorg. “Het lijken soms parallelle werelden”, merkt iemand op. Dit wordt bevestigd door de kleine poll die Elisabeth van den Hoogen houdt: er is nagenoeg een persoon aanwezig uit de aangrenzende wijk Kanaleneiland. Hans Karssenberg geeft aan dat je sommige bewoners op een andere manier bereikt, bijvoorbeeld door samen brood te bakken. Tijdens die bezigheid kun je dan alsnog vragen wat zij van hun wijk denken. Het is zijn ervaring dat de mensen die niet naar een informatieavond komen zeker niet minder betrokken zijn. Zo brachten de bewoners van Kanaleneiland samen het geld bij elkaar voor de bouw van een nieuwe moskee.

Een ander punt dat Karssenberg wil maken betreft het zogenaamde ‘placemaking’. Deze term doelt op verwaarloosde plekken die een nieuwe betekenis krijgen of zelfs een bestemming worden, vaak door een tijdelijk initiatief. “Laten we placemaking niet zien als iets tijdelijks”, aldus Karssenberg. “Wil je uitkomen op een diverse Merwedekanaalzone, dan is het belangrijk om plekken als Vechtclub XL en Kanaal30 te behouden.” Daan Zandbelt beaamt dit – het is zelfs een van de principes van de Metro Mix.

Wethouder Kees Diepeveen

De wet van Zandbelt
Het begrip ‘liefdevolle stad’ spreekt tot de verbeelding van Wethouder Kees Diepeveen (portefeuilles wonen, grondzaken, openbare ruimte, Merwedekanaalzone, Overvecht). Met een dromerige blik in zijn ogen schetst hij de zaterdagmorgen in de wijk waar hij woont: het is nog vroeg, er hangt een geur van vers brood en Diepeveen wandelt op pantoffels naar de bakker op de hoek. Hij prijst zich gelukkig in zijn ideale wijk te wonen en een dergelijk gevoel van nabijheid moet je volgens hem ook in de nieuwe wijken organiseren.

Diepeveen toont zich bewust van de valkuilen bij de bouw van nieuwe stadswijken. De informatieavonden en maquettes kunnen volgens hem beter. Zo is misschien nog niet duidelijk dat de bewoners van Rivierenwijk, “een wijk die groener kan”, erop vooruit gaan met het toekomstige oeverpark aan de overkant van het kanaal, net als de bewoners van Kanaleneiland. Het streven naar inclusiviteit noemt Diepeveen moeilijk, maar oh zo belangrijk. Bij de ‘stad op ooghoogte’ denkt hij graag mede aan de kinderen en de mensen in een rolstoel. “Hun ooghoogte is lager, daar moeten we rekening mee houden. Tussen geparkeerde auto’s heb je geen overzicht.”

Net als de drie andere sprekers vindt Diepeveen een nieuwe wijk pas liefdevol als deze divers is en de bewoners van de omringende wijken baat hebben bij de veranderingen – hij noemt dit ‘de wet van Zandbelt’. De wethouder benadrukt dat het belangrijk is om te bouwen aan gemeenschapsvorming en identiteit en waarschuwt ervoor “niet in de oude val lopen, waar vanaf de tekentafels wordt gedacht zonder dat je de namen en rugnummers kent”. Hij wil dat de stad met voldoende sociale huur en middenhuur betaalbaar en bereikbaar blijft voor iedereen en hoopt op veel doorstroming naar “zo’n aantrekkelijke, superenergiezuinige moderne woning”.

Het is hoopgevend dat tijdens ‘Stadswijk van de toekomst’ op zijn minst wordt onderkend hoe kwetsbaar en ingewikkeld de opgave is en dat het publiek hier scherpe vragen over stelt. Net zo hoopgevend als de verwijzingen naar Jane Jacobs gedurende de avond. Daan Zandbelt citeerde haar zelfs spontaan uit het hoofd: “Een stad kan alleen van iedereen zijn als ook iedereen er een bijdrage aan kan leveren”.

Getekend verslag
Zie HIER het pakkende verslag door striptekenaar Ronald van der Heide.

Presentaties
De presentaties van de sprekers zijn te downloaden via onderstaande linken:


Martine Bakker is architectuurhistorica. Zij werkt bij Uitgeverij Blauwdruk en tijdschrift Blauwe Kamer en freelance als journalist en redacteur.

 

 

Ook interessant: