Datum: 03-01-2021

Wouter Veldhuis is iemand die graag vraagtekens plaatst bij wat vaak voor lief wordt genomen. Is er wel woningnood? Is veel bouwen de oplossing? En wie bepaalt dit? Om te komen tot ‘rechtvaardige steden’ bepleit hij een vernieuwd Huis van Thorbecke.

Door Martine Bakker

“Ik richt mij op de vraag hoe wij steden kunnen ontwerpen met incasseringsvermogen”

Twee jaar geleden schreef stedenbouwkundige Wouter Veldhuis samen met uitgever Simon Franke het manifest Verkenning van de rechtvaardige stad. Daarin onderzoeken zij de rol van de economisering van stedelijke ruimte. Rechtvaardigheid kan uitgedrukt worden in de verdeling van geld en goederen, maar minstens zo belangrijk is de ‘publieke waarde’. Die schuilt in een stad die niemand uitsluit en waar bewoners zich kunnen ontplooien. Voor een hoge publieke waarde is het van belang dat bewoners zich op democratische wijze gehoord en vertegenwoordigd voelen en de ruimte krijgen om hun stad vorm te geven. In een interview gaat Veldhuis in op dat laatste.

Met zijn bureau Must werkt Veldhuis ook ‘gewoon’ aan stedenbouwkundige opgaven. In Utrecht is Must betrokken bij het MIRT-onderzoek naar de toekomst van de Metropoolregio Utrecht en een onderzoek naar erfgoedwaarden van de wijk Lunetten. Het bureau heeft vestigingen in Amsterdam en Keulen en beperkt zich hoofdzakelijk tot projecten in Nederland en het noordwesten van Duitsland. Het achterliggende idee is dat je de beste oplossingen kunt bedenken als je de ruimtelijke, economische en sociale context goed kent – zo maakte Veldhuis meerdere studies en analyses van Amsterdam Nieuw West, de wijk waar hij is opgegroeid en nog steeds woont.

Baltimore
De oriëntatie op Nederland en Duitsland is de laatste jaren verbreed door het onderzoek naar ‘rechtvaardige steden’: rechtvaardigheid is bij uitstek een universeel thema, net als verstedelijking. In het boek worden – naast Nederlandse schrijvers en onderzoekers als Floor Milikowski en Mirjam de Rijk – internationale auteurs als David Harvey, Saskia Sassen, Richard Sennett en Richard Florida geciteerd.

Samen met studenten van de Rotterdamse Academie van Bouwkunst verkende Veldhuis in 2019 in Baltimore (VS) welke rol ontwerpers zouden kunnen spelen in steden waar onrechtvaardigheid een sturend ordeningsprincipe is.

In wijken met onvoorstelbaar grote sociale en economische problemen bleek de zelforganisatie opvallend krachtig. Juist door het totale gebrek aan overheidssteun nemen bewoners en ondernemers zelf het heft in handen. Met vallen en opstaan maken zij het leven dragelijker en zetten zij de openbare ruimte naar hun hand. Voor de Rotterdamse studenten was het een openbaring dat interventies ín de wijk voortkomen uít de wijk.

De overheid – in Nederland de vanzelfsprekende opdrachtgever – geeft in de Verenigde Staten nu eenmaal geen thuis of is er zelfs op gericht zwakke groepen te verdrijven. Heel anders dan de Nederlandse overheid, die zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn van al haar landgenoten. De zelforganisatiekracht binnen de Nederlandse samenleving is daardoor echter matig ontwikkeld, constateert Veldhuis. Sterker nog, de verzorgingsstaat geeft niet alleen weinig reden, maar biedt naar zijn idee ook weinig mogelijkheid om zelf initiatieven te ontplooien.

Foto Baltimore, MUST

Baltimore, foto Must

Huis van Thorbecke
In het licht van de rechtvaardige stad is dit op zijn zachts gezegd jammer. Want het is niet zo dat het met de Nederlandse steden automatisch goed gaat. Veldhuis: “Wij zouden er baat bij hebben dat inwoners zich meer verantwoordelijk voelen voor hun straat en buurt. En ook het vertrouwen krijgen om verantwoordelijkheid te nemen en de leefomgeving vorm te geven. Dan ontstaat er een goed functionerende, dynamische, veelzijdige stad, die open is, en uitdaagt tot vernieuwing.”

Volgens Veldhuis past het Huis van Thorbecke, ofwel een democratie met een Rijksoverheid, provincies en gemeenten, niet meer bij de wijze waarop Nederlanders leven, noch bij de manier waarop het land nu wordt ingericht. “Een democratisch gekozen gemeentebestuur is prachtig. Maar waar gaat een gemeente eigenlijk nog over bij grote ruimtelijke, economische en sociale vraagstukken? De echte beslissingen op het gebied van bijvoorbeeld mobiliteit, energietransitie, woningbouw en zorg worden in regionaal verband genomen. En daarop hebben burgers via de stembus geen directe invloed.”

Grotere gemeenten lijken dan een logische oplossing, maar verliezen door hun schaal het directe contact met de burger, geeft Veldhuis aan. Want het bestuur wordt vanuit hun standpunt bezien abstracter. Een mega-gemeente maakt het lastig om goed in te spelen op lokale behoeften van groepen bewoners en ondernemers. “Als je denkt aan grotere gemeenten, om regionale vraagstukken op te kunnen pakken, moet je daarom tegelijkertijd de directe democratie op lokaal niveau goed borgen.”

Maup Caransa
De voormalige Amsterdamse stadsdeelraden – niet te verwarren met de huidige stadsdeelcommissies – vindt Veldhuis een goed voorbeeld van lokale democratie. “Zo’n deelraad kreeg budget voor de openbare ruimte en kleine projecten en kon zelf beslissen hoe dat werd besteed. Er werd verantwoording afgelegd aan de deelraad, die dichtbij de burger stond en laagdrempelig was. Bewoners stapten bij het stadsdeelkantoor naar binnen vanwege een kapotte lantaarnpaal, afval op straat, of om budget te vragen om de eigen buurt een impuls te geven. Het ging om kleine dingen die de samenleving in de haarvaten versterkt.”

Bovendien woonden de deelraadsleden in de buurt en kon je ze gewoon op straat tegenkomen en aanspreken op hun verantwoordelijkheid, geeft Veldhuis aan. Het kunnen aanspreken op verantwoordelijkheid is volgens hem minstens zo belangrijk als het nemen van verantwoordelijkheid. Hij ziet dit ook in de manier waarop de vastgoedwereld functioneert: “Beleggers opereren tegenwoordig anoniem en komen vaak uit China of Amerika. Zij hebben geen enkele affiniteit met de plek waar ze beleggen. Het gaat primair om het rendement.

“Vroeger waren beleggers ook altijd kosjer, maar een beruchte Amsterdamse belegger als Maup Caransa kon je in de jaren zeventig nog wel gewoon tegenkomen op straat of bij een nieuwjaarsreceptie. Politici en krakers tikten hem – op hun eigen manier – geregeld op de vingers, zij spraken hem aan op zijn verantwoordelijkheden voor de stad en de samenleving. Dat is nu niet meer mogelijk en daarmee dreigt het morele argument uit de stadsontwikkeling te verdwijnen. Dat merk je uiteindelijk op straat, waar steeds minder mensen naar elkaar omkijken.”

Poster JustCity, Must

Poster JustCity, Must

Just City
Must geeft zijn engagement – het bureau is “altijd meer trendsettend dan trendvolgend geweest”, aldus Veldhuis – onder meer vorm met de kaart Just City, al maakt Must met deze kaart ook gewoon reclame. Een vogelvlucht van een fictieve stad geeft in tekenstijl weer waar het in een rechtvaardige stad om draait: verticale bedrijfsprocessen, autodelen, vluchtelingen opvangen, een rommelig marktje, kletsen, spelen, sporten en kunst in op het autoverkeer heroverde straten.

Achterop de kaart staan referentieprojecten van Must, zoals de met bewonersparticipatie vormgegeven vernieuwing van de Eindhovense wijk Lakerlopen, zelfbouw in Amsterdam Geuzenveld, goedkope werkruimte in Amsterdam en klimaatbestendige pleinen en straten in drie Duitse steden.

Veldhuis is naar eigen zeggen steeds op zoek naar de processen en krachten die in een stad spelen, hij heeft er ‘inmiddels een antenne voor’. Van 2011 tot en met 2020 was hij kernlid van Stad-Forum, een denktank die de gemeente Amsterdam adviseert over ruimtelijke vraagstukken, “Over zaken als woonbeleid, verkeer, vervoer, onderwijs en groen moet regionaal, en in samenhang worden nagedacht”, legt Veldhuis uit. “Stad-Forum neemt sinds twee jaar het perspectief van de bewoners en ondernemers van ‘Groot Amsterdam’ daarbij als uitgangspunt. In de adviezen voor het stadsbestuur is de centrale vraag steeds: wat kan Amsterdam betekenen voor de regio.” De visie van de denktank wordt in 2021 voltooid en zal hopelijk een rol spelen in de debatten in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2022.

Anderhalve meter
Schoonheid is in de stedenbouw wat Veldhuis betreft niet de belangrijkste drijfveer. “Wanneer stedenbouwers het exclusieve recht op de vormgeving van de stad en leefomgeving claimen, zoals in de periode van Vinex, is er weinig ruimte voor mensen om de leefomgeving eigen te maken. De bewoners van de wijk Lunetten zijn bijvoorbeeld trots op hun wijk. Zij erkennen dat de wijk er niet mooi uitziet, maar vinden het enorm fijn om er te wonen. Er is volop ruimte om zelf het groen te beheren en sociale activiteiten te ontplooien.

“Zeker met de huidige nadruk op verdichting en bijkomende dreigende verdringing van bevolkingsgroepen is het belangrijk dat bewoners een stem krijgen. Schoonheid is dan veel minder relevant en vooral ook relatief. Als bewoners zich gehoord voelen en hun verantwoordelijkheid nemen – en dus kunnen nemen – vind ik het veel minder interessant of ik het eindresultaat zelf wel mooi vind.”

Gezien de reactie van sommige vakgenoten op de anderhalve-metersamenleving lijkt er volgens Veldhuis sinds Vinex niet veel veranderd. “Ik zie gênante plannen langskomen, waarin ontwerpers de veronderstelde noodzaak om anderhalve meter afstand van elkaar te houden letterlijk vertalen naar een catchy ontwerp. Ze meten alles op en verdelen een plein of straat vervolgens in mooi vormgegeven zones. Volgens mij is ons vak een stuk breder en fundamenteler. We werken aan structuren die honderden jaren meegaan en ik richt mij in deze crisistijd dus liever op de vraag hoe wij steden kunnen ontwerpen met incasseringsvermogen.”

“Dit jaar werd de stad geteisterd door corona. Maar deze zomer was er ook hittestress en deze winter weer wateroverlast. Laten we steden maken met voldoende ruimte om onverwachte schokken op te vangen. Daar ligt de verantwoordelijkheid van de ontwerper: hoe kun je een plein of een stad zo inrichten dat die zich tijdelijk kunnen aanpassen aan een uitzonderlijke situatie, zonder dat de samenleving wordt ontwricht. Dat is de essentie van stedenbouw.”

Verandering
Het is een standpunt waarmee Veldhuis zich net als in zijn onderzoek naar de rechtvaardige stad mede bevindt in een gezelschap van filosofen en sociologen, al wijdde vaktijdschrift Blauwe Kamer laatst een nummer aan het thema ‘commons’, oftewel de gedeelde openbare ruimte en de verantwoordelijkheid daarvoor. Over de invloed van de coronamaatregelen schreef Veldhuis zelf een relativerende blog voor de Stadsleven-website van Tracy Metz en samen met Simon Franke en Tijs van den Boomen een artikel in NRC Handelsblad.

Dat het onderwerp leeft, blijkt wel uit de vele mediacolumns. Sheila Sitalsing vroeg in De Volkskrant retorisch van wie de openbare ruimte eigenlijk was – van de ‘grootste bek’ misschien? De toon bij Wouter Veldhuis is gematigder. Al wil hij weldegelijk dingen veranderen, het werkwoord ‘moeten’ komt in Verkenning van de rechtvaardige stad niet voor. Veldhuis vindt het niet meer dan logisch dat veranderingsprocessen langzaam gaan en is hier naar eigen zeggen ook aan gewend. Must werkt veel voor overheden en ziet hoe lokale innovaties langzaam doorsijpelen naar rijksbeleid. En omgekeerd, hoe rijksbeleid pas na tientallen jaren is terug te zien in lokale projecten.

Veldhuis: “Om veranderingen te bewerkstelligen heb je concrete voorbeeldprojecten nodig. Maar echte verandering krijg je pas als het je lukt om de achterliggende processen op te schalen, om de opgave te herformuleren, en uit te komen bij een andere werkwijze. Stedenbouwkundigen spelen een belangrijke rol in het meedenken en vormgeven van de processen, want verandering gaat nu eenmaal stapsgewijs.” In weerwil van de twee prangende vraagtekens een hele geruststelling voor het Aorta-programma ‘Wat als? Wat nu?’.

Ook interessant: