Datum: 29-09-2026
Hoe ontwerp je een gebouw dat bijdraagt aan het vormen van een gemeenschap? Die vraag houdt Woonin al een aantal jaren bezig. De woningcorporatie zet sinds een paar jaar volop in op gemengd wonen, een woonvorm waarin mensen met verschillende achtergronden bewust samen een gemeenschap vormen. Voor onze serie In de schijnwerpers, over opvallende architectuur en ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht, spraken we met Lies Buddingh, programmamanager woonconcepten bij Woonin.
Het eerste gemengd wonen-complex van Woonin werd opgeleverd in 2020: Mixit, waar een deel van de bewoners rechtstreeks vanuit (dreigende) dakloosheid naar een eigen woning verhuisde. Daarna volgden meerdere complexen, zoals BUUR in Leidsche Rijn en Befu in Hoograven. Onlangs kwam daar De Hovenier in Pijlsweerd bij, waar eveneens een deel van de huurders dak- en/of thuisloos is geweest. In de deze week verschenen bundel ‘Ambacht in de Praktijk‘ deelt de woningcorporatie de belangrijkste lessen over woonconcepten en woongemeenschappen.
Wat houdt het gemengd wonen-concept in?
Al onze complexen zijn gemixt: er wonen altijd verschillende doelgroepen samen. Maar dat is niet hetzelfde als gemengd wonen. Bij gemengd wonen kiezen mensen met verschillende achtergronden er bewust voor om samen te leven. Vaak wonen er ook aandachtsgroepen, zoals mensen die dakloos zijn geweest, een psychische kwetsbaarheid hebben of naar Nederland zijn gevlucht. Zo dragen we bij aan verbinding in de wijk en aan een veilige, prettige woonomgeving, waar buren naar elkaar omkijken en elkaar helpen. Juist in nieuwe gebouwen kunnen we zorgen voor de ingrediënten die een gemeenschap een goede start geven.
Met toekomstige bewoners bespreken we altijd wat de woonvorm inhoudt, zodat ze er bewust voor kunnen kiezen. Onderdeel zijn van een gemeenschap betekent niet dat ze barbecues moeten organiseren of spelletjes met de buren moeten spelen, maar wél dat ze een goede buur willen zijn en zelf behoefte hebben aan sociaal contact met buren.
Doordat mensen er bewust voor kiezen, komt zo’n gemeenschap goed tot stand. Tegelijkertijd is er een groot woningtekort en zijn mensen vaak al blij als ze een huis vinden. Toch zie je dat er bij gemengd wonen meer gemeenschapszin en draagkracht ontstaat, waardoor aandachtsgroepen ook een fijnere landing hebben in het complex.

In Hof van Leeuwesteyn wonen ouderen en gezinnen aan een gedeelde binnentuin. Foto: Woonin (Architect: M3H Architecten & MORE Landscape)
Wat betekent dat in de praktijk voor de bouw van nieuwe wooncomplexen?
Voor de start van ieder project ontwikkelen we gezamenlijk een visie op wat we op die plek willen bereiken. We bekijken de locatie vanuit meerdere invalshoeken: de buurt, toekomstige bewoners, schaalgrootte, maatschappelijke opgaven en de mogelijkheden van het ontwerp. Die richting vertalen we naar keuzes voor ontwerp, bewonerssamenstelling en beheer. Het verschilt per complex hoe intensief de gemeenschap is: van laagdrempelig burencontact tot een actief opgebouwde gemeenschap met gezamenlijke verantwoordelijkheid.
We hebben in de praktijk onderzocht wat werkt om ontmoeting te bevorderen. Op basis daarvan maakten we het inspiratieboek ‘Ontwerpen voor Ontmoeting’, dat we alle architecten meegeven aan de tekentafel. We leggen dit niet hard vast in het PvE, maar vragen om creativiteit: hoe vergroten we de kans op geplande én ongeplande ontmoetingen? Ontwerp speelt dus een grote rol: het bepaalt of bewoners elkaar toevallig tegenkomen, of ontmoeting vanzelfsprekend wordt, en of gedeelde plekken ook echt van hén voelen. Het gebouw moet uitnodigen, niet dwingen.

De Hovenier in Pijlsweerd werd onlangs opgeleverd. Foto: Woonin (Architect: Jan Bakers architecten bv)
Zo kiezen we bijvoorbeeld liever voor leefgalerijen dan corridors: geen gang met woningen aan weerszijden, maar een straatje langs de woningen. Op een corridor kom je elkaar niet tegen; op een galerij kijk je naar buiten, zie je iemand, zwaai je, heb je misschien een stoeltje of bankje staan. In eerste instantie waren we huiverig voor overlast, maar het werkt juist heel goed. Dat zagen we recent opnieuw bij Befu, een tijdelijk gemengd wooncomplex in Hoograven waar een deel van de huurders een verblijfsstatus heeft. Eén van de drie blokken heeft een galerijontsluiting, de andere twee een corridorontsluiting. Daar zie je precies waarom wij bij voorkeur voor galerijen kiezen: bewoners van het galerijblok hebben veel meer onderling contact, komen elkaar makkelijker tegen en maken ook vaker gebruik van de ontmoetingsruimte.
Hoe mooi hij ook is, een ontmoetingsruimte wordt pas gebruikt als mensen elkaar al kennen. Daarom ontwerpen we laagdrempelige plekken voor spontane ontmoetingen: een bankje, een aantrekkelijke trap of lift. Ook laten we bijvoorbeeld de route naar de woning door de binnentuin lopen, zodat gebruik ervan laagdrempelig wordt. Bij Hof van Leeuwesteyn, waar ouderen en gezinnen wonen, grenst de binnentuin direct aan de woningen. Kinderen ervaren dat als een veilige, vertrouwde plek om te spelen – al gaat die levendigheid wel ten koste van de rust, doordat de grens tussen privé en gemeenschappelijk klein is.
Het is belangrijk dat het gebouw óók van de bewoners zelf is. Wij weten niet altijd vooraf wie er komt te wonen, dus geven we bewoners ruimte voor eigen invulling, bijvoorbeeld het zelf inrichten van de ontmoetingsruimte of binnentuin.

Gemeenschappelijke ruimte in Befu, een tijdelijk gemengd wooncomplex in Hoograven. Foto: Woonin (Architect: RoosRos Architecten & Daiwa House Modular)
Wat is de grootste uitdaging bij het realiseren van gemengd wooncomplexen?
Een gemeenschap ontstaat niet vanzelf: bewoners moeten elkaar durven opzoeken en weten dat ze op anderen kunnen terugvallen. Zeker in het begin speelt de beheerder daarin een belangrijke rol. Ook verwachtingsmanagement is een uitdaging: actieve bewoners kunnen teleurgesteld raken als er te weinig mensen op activiteiten afkomen.
De samenstelling van bewoners is ook een belangrijke succesfactor. Daarom gaan we al vooraf in gesprek met toekomstige bewoners: we willen weten wat mensen willen bijdragen en – zeker bij aandachtsgroepen – wat ze zelf nodig hebben om goed te landen.
De grootste uitdaging is de gemeenschap op lange termijn te laten standhouden. Als het gebouw klaar is en de eerste activiteiten zijn georganiseerd, komt de vraag: blijft het werken, en blijven bewoners zich eigenaar voelen? Daarom sturen we vanuit onze afdeling Wonen op vaste evaluatiemomenten met bewoners en samenwerkingspartners – zodat woonconcepten niet alleen goed starten, maar ook kunnen groeien en duurzaam van betekenis blijven.

De binnentuin van BUUR in Leidsche Rijn. Foto: Woonin (Architect: NWA Architecten, Dam & Partners en JCAU)
Wat maakt gemengd wonen tot een aanwinst voor de stad?
Wij geloven dat gemengd wonen een nieuwe, vanzelfsprekende huisvestingsvorm zal worden voor woningcorporaties. Steeds meer corporaties gaan ermee aan de slag – niet gek, want iedere corporatie heeft te maken met de huisvesting van verschillende doelgroepen. We merken dan ook veel interesse: andere corporaties willen leren van onze ervaringen en starten zelf met deze woonvorm.
In Utrecht passen we gemengd wonen al veel toe, die ervaringen willen we graag uitwisselen met andere steden in Nederland. We hopen dan ook dat dit, met onze gebundelde lessen, ook daar zijn weg vindt.
PUBLICATIE AMBACHT IN DE PRAKTIJK
Lees hier de publicatie ‘Ambacht in de Praktijk’

De binnentuin van Befu. Foto: Woonin (Architect: RoosRos Architecten & Daiwa House Modular)