Datum: 29-06-2018

Hoe zorgen we er voor dat onze dorpen en steden ook in 2040 fijne en gezonde plekken zijn om te wonen, werken en verblijven? Grote uitdagingen als klimaatverandering, energietransitie, bereikbaarheid en verdichting, vragen om innovatieve manieren van inrichten en bouwen. Daar moeten we nu samen over nadenken en mee aan de slag gaan. De provincie Utrecht organiseert samen met AORTA een reeks ‘lectures’ met een hoofdrol voor de gezonde leefomgeving. Het onderwerp van de eerste lecture, op 12 juni in Amersfoort, was ‘gezond verdichten’, want het inwonersaantal van de provincie groeit  in de periode van 2016 tot 2040 naar verwachting met minimaal 165.000 inwoners.

Tekst: Martine Bakker

We bevinden ons op een bijzonder moment in de tijd. De – al dan niet gezonde – verstedelijking is door de woningnood in volle gang terwijl er tegelijkertijd nog onderzoek wordt gedaan naar de impact van de stad op gezondheid, en er in veel gemeenten nog langetermijnbeleid voor verdichting moet komen.

Architect Albert Herder – een van de drie ontwerpers die op 12 juni een presentatie geven – vindt dat we daar geluk mee hebben. ‘Alles is aan het veranderen’, geeft hij aan, ‘grote winkels vallen om en er ontstaan broodfondsen en nieuwe corporaties’. Herder springt daar graag op in met vernieuwende stedenbouw. Architect Marco Broekman, de laatste spreker, formuleert het anders, maar ook hij is oplossingsgericht: ‘Het gaat momenteel mis met de wereld. Daar hebben we als ontwerpers een taak.’

De eerste spreker, stedenbouwkundige Froukje van der Klundert, wijst er in haar presentatie nog even fijntjes op dat gezondheid geen nieuwe term is in de stedenbouw. Sterker nog, gezondheid was de reden om de discipline stedenbouw aan het einde van de negentiende eeuw op te tuigen, omdat schaal bepalend bleek voor het realiseren van gezonde nieuwe arbeiderswijken met voldoende daglicht in de huizen en schone lucht. En bij de aanpak van de huidige opgave is de schaal nog steeds cruciaal, zal deze middag aantonen.

Froukje van der Klundert [Posad]

Gezondheidslabel
Het bureau van Van der Klundert, Posad Urban Strategies, bracht voor de provincie Zuid-Holland de gezondheid van de inwoners in kaart. Zij is scherp op de terminologie. Een gezonde stad bestaat volgens Van der Klundert niet, ‘het gaat om gezonde mensen’. De gezondheid blijkt in grote mate af te hangen van de buitenruimte van een woning. Op dit moment is alleen het bewustzijn daarover volgens Van der Klundert al winst. Daarom suggereert zij om woningen naast een energielabel ook een gezondheidslabel te geven.

Aan de hand van het kaartmateriaal doet Posad ruimtelijke suggesties, bijvoorbeeld voor het verminderen van obesitas of hittestress, maar met name de enormiteit van de opgave – die helder uit de kaarten spreekt – beklijft. Het is geen verrassing dat de meest kwetsbare mensen in Zuid-Holland in de minst gezonde wijken wonen, maar toch goed om het weer eens grafisch bevestigd te zien.

Een van de vragenstellers na afloop blijft haken op ‘gedrag en sociale context’ – volgens Posad van invloed op de gezondheid. Dit is volgens hem moeilijk in kaart te brengen omdat met name de kwetsbare bewoners niet goed bereikbaar zijn. Posad blijkt in twee van de drie nader onderzochte gemeenten inderdaad alleen met gemeenteambtenaren gesproken te hebben. In Leiden gingen de ontwerpers langs bij het buurtinitiatief Go North, dat activiteiten organiseert zoals een gezamenlijk gezond ontbijt en een zwemuur voor vrouwen. De vragensteller tipt dat je bewoners door het stellen van vragen meteen ook betrekt bij de oplossingen.

Eenprocentsregeling
Het mag deze middag dan gaan over verdichting, dus over het bouwen binnen bestaande steden en dorpen, het debat komt aldoor uit bij het gebied daar omheen. Omdat ‘groen’ het geluksgevoel verhoogt, stress vermindert, de lucht schoner maakt en uitnodigt tot bewegen en sociale activiteiten, pleit Posad bijvoorbeeld voor groene wiggen vanuit de stad naar het buitengebied. Van der Klundert benoemt expliciet de invloed van ‘ontsnappingsroutes’ op de gezondheid. Zij zou de aanleg van ontsnappingsplekken in het groen – ‘het hoeft niet groot te zijn, als het maar goed is’ – graag verplicht stellen middels ‘een soort eenprocentsregeling’.

Met de ethische kant van de zaak – mag een overheid leefstijlen eigenlijk wel bijsturen? – heeft Van der Klundert geen moeite. Zij wijst op de taak van de overheid om onze gezondheid te beschermen en bevorderen. Vanwege de schaalkwestie is het misschien zelfs goed dat de gezondheid overheidsbeleid is. Want wil je als stad bijvoorbeeld groene scheggen maken, dan moet je hier de buurgemeenten en provincie bij betrekken, al was het maar om te voorkomen dat zij daar precies gaan bouwen.

Dat geldt ook voor het afstemmen van infrastructurele plannen en het uitbreiden van het openbaarvervoersnetwerk, voegt Paul Roncken hier aan toe. Roncken is landschapsarchitect, docent aan de universiteit van Wageningen en onafhankelijke adviseur ruimtelijke kwaliteit van de provincie. Hij plaatst de presentaties deze middag in een Utrechtse context. Het publiek, voor het merendeel ambtenaar, is overigens ook zeer betrokken en blijkt goed voorbereid. Na afloop van de presentaties worden vooral praktische, concrete vragen gesteld.

Cityplots
Gezien de populariteit van ‘een soort eenprocentsregeling’ lijkt er behoefte aan een middel om dingen voor elkaar te krijgen die uit zichzelf niet goed gaan. Albert Herder gelooft wat dat betreft in de ‘cityplot’, waarmee je ‘een verdichtingslag kunt maken waarmee mensen gelukkig zijn’. De cityplot is ontwikkeld binnen zijn bureau Studioninedots. Schematisch zien ze eruit als blokken in een grid, met per blok bebouwing aan de randen en een gezamenlijk, groen binnenterrein.

De cityplots zijn divers in zichzelf: je kunt er werken en wonen en kopen en huren in diverse prijsklassen. Een plot wordt gedeeltelijk of compleet collectief ontwikkeld. Voor het beheer van het binnenterrein geldt op zijn minst een gezamenlijk budget, maar de collectiviteit kan ook zo ver gaan als CPO voor de woningen of appartementen. De openbare ruimte geldt nadrukkelijk als een sociale ruimte en is zo groen mogelijk – auto’s staan verderop geparkeerd. ‘Je woont hier niet naast elkaar, maar met elkaar’, benadrukt Herder. Zijn grootste zorg voor het welslagen is de afnemende tolerantie: ‘de fietsenmaker in je plot begint wel om acht uur ’s morgens en maakt soms herrie’.

Albert Herder [Studioninedots]

Herder presenteert de cityplot als een handzaam concept omdat de toe te voegen nieuwbouw ‘adaptief en veerkrachtig’ is, de plots worden afgestemd op lokale condities en omdat de invulling ervan flexibel is, dus afgestemd kan worden op nog onbekende ontwikkelingen. Hier zit echter ook het knelpunt, want wat als er geen vraag meer is naar diversiteit, en wat als de grondprijzen stijgen – stijgt dan ook de prijs van de woningen, en is de diversiteit dan in gevaar, vraagt men zich af.

Te flexibel?
De cityplot is op dit moment alleen nog gebouwd in Buiksloterham in Amsterdam Noord. In Utrecht (Wisselspoor), Arnhem (Cobercoterrrein), Groningen (Suikerunieterrein) en Eindhoven (Campinaterrein) staan ze op stapel. De uitwerkingen voor deze uiteenlopende plekken laten inderdaad zien hoe flexibel de strategie is, maar bijvoorbeeld Wisselspoor wordt per deelgebied aangekocht en ontwikkeld, tegen de dan geldende grondprijzen, dus daar geldt de bovengenoemde zorg. Het helpt niet dat Herder in dit verband geruststellend refereert aan de marktwerking: ‘Er zullen in een cityplot vanzelf kleinere woningen komen als de grondprijs stijgt’.

Een groot pré van de cityplots is de afstemming op de lokale condities. Oudbouw – ook kleine, industriële artefacten – wordt mooi geïntegreerd en geeft de nieuwe wijken cachet. De verbindingen met de omliggende stad zijn slim. En het ‘cityplotteam’ legt vooraf contact met lokale ondernemers die baat kunnen hebben bij een nieuwe werkruimte. Bovendien wordt een bestaande of nieuwe loods bestemd tot ‘urban activator’: een plek waar ‘alles kan’. Deze stedenbouw is door de indeling van blokken in een grid niet alleen handig flexibel, maar door de nadruk op collectiviteit en het lokale ook sociaal en sfeervol verankerd in de bestaande stad.

Learning from Houten
Marco Broekman onderzocht met zijn bureau hoe de groeikern Houten zou kunnen verdichten. Op verzoek van de gemeente stemde hij mogelijke verdichtingsscenario’s ‘met een open blik op de toekomst’ af op ‘het DNA van Houten’. Ook Broekman maakte kaarten om grip te krijgen op de materie. Hij onderzocht de demografische veranderingen in Houten, relateerde de groenstructuur van de groeikern aan het landschap er omheen en bracht de mobiliteitsstromen – fiets, auto en openbaar vervoer – in kaart. Aan de hand van een set ‘verdichtingsprincipes’ werden ‘referentiebuurten’ in de kaart gepast. Voor drie locaties, waaronder het centrum, werd de mogelijke verdichting nader uitgewerkt.

Met een van de tussenkopjes in zijn presentatie verwees Broekman naar Learning from Las Vegas. Dit standaardwerk uit 1972 nam het DNA van de non-stad Las Vegas onder de loep, wat het begin inluidde van het postmodernisme in de architectuur. Zo baanbrekend zal Broekmans onderzoek naar Houten niet worden, maar ook van deze non-stad valt zeker wat te leren. Zoals dat afstemming over het landschap en over het OV- en mobiliteitsnetwerk cruciaal is als je in de regio Utrecht-Amersfoort de bebouwing van bestaande steden en dorpen verdicht – in feite hetzelfde als Van der Klundert in Zuid-Holland constateert.

Paul Roncken refereert aan de ‘U10’, het netwerk van twaalf samenwerkende Utrechtse gemeenten, en geeft meteen de orde van grootte aan: met de verwachte groei naar een miljoen inwoners is de U10 een ‘midsize’ metropool. Dat is niet per se gevaarlijk voor de gezondheid en kan zelfs voordelen opleveren, omdat je zaken als recreatie en openbaar vervoer op midsizemetropoolniveau kunt regelen en afstemmen. Eigenlijk is er qua openbaar vervoer een metro nodig, geeft Roncken aan, ‘dat zou pas echt een gezonde, toekomstbestendige oplossing zijn’.

Froukje van der Klundert [Posad] en Paul Roncken [onafhankelijk adviseur ruimtelijke kwaliteit, Provincie Utrecht]

Lef
De drie presentaties bevestigen voor Paul Roncken het belang van een sturende overheid. Hij vindt dat je de bouwopgave niet aan de markt kunt overlaten – het gaat om meer dan alleen woningenaantallen. Gezondheid is volgens hem nog steeds geen vanzelfsprekende opgave náást de functionele verdichtingsopgave. Daarom pleit Roncken voor een verdichtingsopgave met een dubbele doelstelling, á la Ruimte voor de rivier. Dat rijksproject vergrootte de hoogwaterveiligheid en verbeterde tegelijkertijd het landschap.

Roncken roept voorts op om lef te tonen, want ‘het begint vaak met één persoon die zijn nek uitsteekt en een nieuwe weg inslaat’. Zijn oproep is bedoeld voor ambtenaren en lokale politici, maar Roncken denkt dat een stadsbouwmeester ook nuttig kan zijn, ‘of een ander gremium met een topdownvisie waar je op in kunt spelen’. Als architect Renske van der Stoep (KCAP) een democratischer model suggereert, noemt hij een stadsbouwmeester ‘inderdaad een beetje negentiende-eeuws’. Maar omdat er in Utrecht voor de ruimtelijke ordening weinig regels gelden, zou hier volgens hem op zijn minst een toetsgroep nodig zijn.

Renske van der Stoep wijst er ook op dat het onderwijs, ‘al op de basisschool’, een taak heeft waar het om gezondheid gaat. En zij miste in de drie gepresenteerde onderzoeken de ontwikkeling naar kleinere woonunits – zij sorteerden daar volgens haar niet of nauwelijks op voor. Het tekent de middag, en de kundige, ontwapenende gespreksleiding van Bart Cosijn, dat dit niet als kritiek wordt opgevat. De aanwezige ambtenaren, ontwikkelaars, onderzoekers en architecten zijn nieuwsgierig en leergierig. Zij lijken te weten dat je goed beslagen ten ijs moet komen om met lef iets te bereiken.

De organisatie van Let’s Dense was een samenwerking tussen provincie Utrecht (aanjaagprogramma gezonde leefomgeving) en Architectuurcentrum AORTA. De serie lectures is één van de manieren waarop de provincie Utrecht goede voorbeelden op het gebied van het gezonder maken van de leefomgeving een podium biedt.

De avond werk pakkend samengevat door striptekenaar Ronald van der Heide. Klik hier en bekijk hem full screen.


Martine Bakker is freelance architectuurcriticus. Daarnaast is zij eindredacteur bij Uitgeverij Blauwdruk en redacteur van het Blauwe Kamer Jaarboek.